🔍
🏠
Wikcionário
🎲
leren
Holandês
/
Neerlandês
Adjetivo
leren
de
couro
Verbo
leren
aprender
ensinar
Conjugação
Conjugação (tempos básicos) de “leren” (verbo regular)
Infinitivo
leren
Imperativo
leer
!
Presente
Passado
Singular
1ª pessoa (
ik
)
leer
leerde
2ª pessoa (
jij
)
leert
leerde
3ª pessoa (
hij
)
leert
leerde
Plural
1ª pessoa (
wij
)
leren
leerden
2ª pessoa (
jullie
)
leren
leerden
3ª pessoa (
zij
)
leren
leerden
particípio
lerend
,
lerende
(
hebben
)
geleerd
Sinônimos
(
aprender
): aanleren, onderwijzen