🔍
🏠
Wikcionário
🎲
werken
Holandês
/
Neerlandês
Verbo
werken
trabalhar
funcionar
Conjugação
Conjugação (tempos básicos) de “werken” (verbo regular)
Infinitivo
werken
Imperativo
werk
!
Presente
Passado
Singular
1ª pessoa (
ik
)
werk
werkte
2ª pessoa (
jij
)
werkt
werkte
3ª pessoa (
hij
)
werkt
werkte
Plural
1ª pessoa (
wij
)
werken
werkten
2ª pessoa (
jullie
)
werken
werkten
3ª pessoa (
zij
)
werken
werkten
particípio
werkend
,
werkende
(
hebben
)
gewerkt
Sinônimos
(trabalhar) arbeiden, zwoegen
(duncionar) functioneren, het doen
Termos derivados
werkbaar
onwerkbaar
werkzaam
afwerken
bewerken
doorwerken
inwerken
meewerken
werker
werkman
opwerken
samenwerken
tegenwerken
uitwerken
verwerken
wegwerken
werking